De eerste stadsmuur van Amersfoort vormt een bepalend hoofdstuk in de ontwikkeling van de stad. Wat begon als een groeiende nederzetting rond de Hof, kreeg na het verkrijgen van stadsrechten een steeds stedelijker karakter. Met die groei ontstond rond het jaar 1300 de behoefte aan bescherming en afbakening. De aanleg van een stadsmuur was het antwoord daarop en legde de basis voor het stadsbeeld dat tot op de dag van vandaag herkenbaar is.
De eerste stadsmuur van Amersfoort vormt een bepalend hoofdstuk in de ontwikkeling van de stad. Wat begon als een groeiende nederzetting rond de Hof, kreeg na het verkrijgen van stadsrechten een steeds stedelijker karakter. Met die groei ontstond rond het jaar 1300 de behoefte aan bescherming en afbakening. De aanleg van een stadsmuur was het antwoord daarop en legde de basis voor het stadsbeeld dat tot op de dag van vandaag herkenbaar is.
Van stadsrechten naar ommuring
In 1259 verleende bisschop Hendrik van Vianden stadsrechten aan Amersfoort. Niet lang daarna begon de stad zich in hoog tempo uit te breiden. Rond 1300 werd de eerste stadsmuur gerealiseerd. Deze was vrijwel concentrisch aangelegd rond de toen bestaande stad en had een omtrek van ongeveer 1,5 kilometer. De muur vormde een duidelijke grens tussen stad en buitengebied en bood bescherming aan bewoners, handel en infrastructuur.
Bouw, afmetingen en verdediging
De stadsmuur was boven het maaiveld twee stenen dik, wat neerkomt op ongeveer zestig centimeter, en had vermoedelijk een hoogte van circa zeven meter. Aan de buitenzijde lag een dubbele gracht, gescheiden door een smalle strook land, de cingel. Deze combinatie van muur, water en open ruimte maakte de stad goed verdedigbaar en paste binnen de militaire inzichten van de late middeleeuwen.
Archeologisch onderzoek bevestigt deze opbouw en datering. De gebruikte bakstenen sluiten aan bij het formaat dat kenmerkend is voor de late dertiende eeuw. De stadsmuur was daarmee geen tijdelijk bouwwerk, maar een doordachte en duurzame verdedigingslinie.
Poorten en waterwegen
De eerste stadsmuur kende drie landpoorten en drie waterpoorten. De landpoorten lagen aan belangrijke toegangswegen. Aan weerszijden van de Langestraat bevonden zich de Rodetorenpoort, later de Utrechtse binnenpoort, en de Viepoort, die later bekend werd als de Kamperbinnenpoort. De derde landpoort was de Havickerpoort, aansluitend op de Bloemendalsestraat.
De waterpoorten lagen bij de Tinnenburg, aan het einde van de Langegracht en bij ’t Sluisje. Water speelde een centrale rol in zowel de verdediging als de stedelijke ontwikkeling. Het graven van de Korte en Langegracht, het Spui en de Nieuwe Eem bepaalde in hoge mate de structuur van de stad en maakte handel en transport mogelijk.
Afbraak en verlies van functie
Na de bouw van de tweede stadsmuur verloor de eerste ommuring haar strategische betekenis. Vanaf 1451 werd de stadsmuur grotendeels afgebroken, net als de meeste poorten. Alleen de voorpoort van de Kamperbinnenpoort bleef behouden. Tegelijkertijd werd het binnendeel van de gracht gedempt, waardoor nieuwe bouwgrond ontstond binnen de oude omwalling.
De Muurhuizen: wonen op de stadsmuur
De afbraak van de stadsmuur betekende geen einde, maar een transformatie. Vanaf 1501 verkocht het stadsbestuur de vrijgekomen percelen, ook wel werven genoemd. Op het tracé van de voormalige stadsmuur werden grote stenen huizen gebouwd: de Muurhuizen. Uit onderzoek blijkt dat sommige van deze huizen zelfs al vóór 1501 zijn ontstaan.
De Muurhuizen behoren tot de iconen van de Amersfoortse binnenstad. Opvallend is het grote aantal huizen uit de vijftiende tot en met zeventiende eeuw dat hier bewaard is gebleven. Samen geven zij de straat een uitgesproken middeleeuwse uitstraling. De huizen waren in hun tijd de grootste van de stad en bedoeld voor notabelen, kooplieden en handelaren.
Architectuur en hergebruik van materialen
De Muurhuizen zijn gefundeerd op de oude stadsmuur. Omdat de gedempte gracht aan de achterzijde drassig bleef, konden de huizen nauwelijks diep worden gebouwd. Hierdoor ontstond een karakteristiek woningtype: ondiep, maar zeer breed en vaak hoog. Het breedste muurhuis, Bollenburg, meet maar liefst 22 meter.
Veel huizen zijn opgebouwd uit hergebruikte stenen van de afgebroken stadsmuur. Deze grote bakstenen, vaak aangeduid als kloostermoppen, waren kostbaar en werden normaal gesproken van ver aangevoerd. Het bezit van een stenen huis stond symbool voor rijkdom en status. De kenmerkende opbouw bestaat vaak uit een overwelfde kelder, een verhoogde begane grond (beletage), een verdieping en een kapzolder. Hijsbalken in de gevels herinneren aan het gebruik van de bovenverdiepingen als opslagruimte.
Verdediging en vuurwapens
In openingen van de stadsmuur zijn houten balkjes zichtbaar waaraan vuurwapens konden worden ingehaakt. Dit had te maken met het gebruik van de haakbus, een primitief vuurwapen dat tussen de vijftiende en zeventiende eeuw werd ingezet. Door het wapen aan de muur vast te haken, kon de zware terugslag worden opgevangen. Hoewel de haakbus minder nauwkeurig was dan de handboog, bood hij strategische voordelen door de snelle inzetbaarheid en geringe training die nodig was.
Een blijvend tracé in de stad
De eerste stadsmuur van Amersfoort is geen verdwenen verdedigingswerk, maar een blijvend onderdeel van de stad. In de Muurhuizen, de singels en de zichtbare reconstructies langs de Kamp is het tracé van deze middeleeuwse ommuring nog altijd herkenbaar. Wie vandaag door de binnenstad wandelt, loopt letterlijk langs de contouren van een muur die ruim zeven eeuwen geleden het fundament legde voor het Amersfoort van nu.