Het verborgen textielverleden van Amersfoort

In de middeleeuwen draaide de economie van Amersfoort niet alleen om bier en handel, maar ook om textiel. Kleding, dekens en lakens werden grotendeels in de stad zelf gemaakt. Wol en vlas vormden de basis van deze industrie.

In de 15e en 16e eeuw was de textielnijverheid één van de grootste werkgevers van Amersfoort. Wevers, vollers, ververs, spinners en drogers werkten samen aan één product: het Amersfoortse laken.

Een stad vol weefgetouwen

Stel je Amersfoort voor in de vijftiende eeuw. In kleine huizen staan weefgetouwen, in schuren liggen balen wol en in de stegen hangen lange banen stof te drogen. Overal hoor je het tikken van weeframen en het kloppen van volhamers. De stad leeft van textiel.

Voor veel inwoners is het maken van laken geen bijzaak, maar hun belangrijkste bron van inkomen. Mannen, vrouwen en kinderen werken mee in een lange keten van vakmensen die samen één product maken: het Amersfoortse laken.

De wol komt van de Veluwe

Rondom de stad liggen grote schapenkuddes. Op de Veluwe grazen tienduizenden dieren. Hun wol vormt de basis van de hele textielindustrie. Boeren brengen de wol naar Amersfoort, waar handelaren en drapeniers het opkopen.

De wol wordt eerst gewassen en gekamd. Daarna gaat ze naar de spinners en wevers. In veel huizen staan eenvoudige weefgetouwen. Het is zwaar werk, maar het levert geld op in een tijd waarin werk niet vanzelfsprekend is.

Van draad naar dikke stof

Het geweven doek is nog lang geen laken. Eerst moet het worden gevold. Dat betekent dat de stof nat wordt gemaakt en met kracht wordt geklopt, zodat hij dikker, steviger en warmer wordt. Dat gebeurt vaak in speciale volmolens, bijvoorbeeld bij de Bloemendalsepoort, waar water uit de gracht de molens aandrijft.

Daarna wordt de stof geschoren om hem glad te maken. Vervolgens gaat hij naar de ververs, die het laken een kleur geven. Blauw, grijs of ongeverfd wit zijn populair. Pas daarna is het doek klaar voor verkoop.

De stad let scherp op de kwaliteit

Amersfoort wil bekendstaan om goede stoffen. Daarom stuurt het stadsbestuur controleurs, de waardijnen, langs bij de werkplaatsen. Zij meten of het laken lang genoeg is, of het niet te dun is en of de kleur klopt.

Wie probeert te sjoemelen, krijgt een boete of zijn doek wordt afgekeurd. Soms wordt er zelfs een stukje uitgesneden als waarschuwing. De naam van de stad staat op het spel.

Van de markt naar het buitenland

De Amersfoortse lakens blijven niet in de stad. Ze gaan naar de markten van Utrecht, Bergen op Zoom en Amsterdam. Van daaruit reizen ze verder naar Duitsland en zelfs naar Engeland. In Engelse havensteden zijn lakens met Amersfoortse keurmerken gevonden.

Ze zijn niet de fijnste stoffen van Europa, maar ze zijn sterk en betaalbaar. Dat maakt ze populair bij soldaten, arbeiders en gewone gezinnen.

Linnen, vrouwen en bombazijn

Niet alle textiel is van wol. In en rond Amersfoort wordt ook vlas verbouwd. Dat wordt verwerkt tot linnen. Vooral vrouwen spelen hierin een grote rol, onder andere in kloosters zoals Sint-Aagten. Daar wordt gesponnen, geweven en gebleekt.

Uit deze linnenindustrie ontstaat later bombazijn, een stof van linnen met katoen. In de zeventiende eeuw groeit Amersfoort uit tot het belangrijkste centrum van bombazijn in Nederland.

Hoe textiel de stad veranderde

Dankzij laken en linnen groeit Amersfoort. Er komt geld, werk en handel. Nieuwe huizen worden gebouwd, markten worden groter en de stad krijgt meer invloed. Textiel is eeuwenlang één van de motoren achter de bloei van Amersfoort.

Wie vandaag door de oude binnenstad loopt, ziet misschien geen weefgetouwen meer, maar onder veel straten ligt nog steeds het verhaal van wol, arbeid en handel.